| |
Getuigenschrift
Illusionist
Identiteit: Anoniem gehouden
Thimhallan
“Dus U bent de enige overlevende
van deze gruwelijke veldslag?”
Het is stil in de rechtzaal. De
vraag galmt na.
Ik knik, en weet dat er een
gelofte van waarheid volgt. “Zeg
mij na..” En ik ratel braaf het
versje op.
“Goed, de verhoring kan
beginnen. Alles wat wordt gezegd
zal worden genoteerd. Mocht er
enig teken zijn van onware
verklaringen, dan zullen er
consequenties volgen, toegepast
op uw status..” Ik knik weer,
het is me allemaal bekend. Ik
heb vaker een hoorzitting
bijgewoond, al is dit de eerste
keer dat ik zelf ondervraagd
wordt.
“Zou U willen vertellen wat er
die dag gaande was?”
“Uiteraard,” verzucht ik. Waarom
zit ik hier anders? vervolgt
mijn gedachtegang.
“Wil U bij het begin beginnen,
alle detailles zo nauwkeurig
omschrijven, tijdstippen
aangeven, activiteiten aangeven,
enzovoorts?”
“Natuurlijk,” antwoord ik.
“Goed, U kunt beginnen”
“Zoals ieder jaar is er markt op
de weiden een eindje buiten de
stad. Mensen vanuit de hele
omgeving komen hier op af. Het
was druk, zoals ieder jaar.
Ik was er al in alle vroegte; de
zon was nog maar net op. Ik
hielp mensen met het opzetten
van kramen en het uitstallen van
waar. Dat doe ik ieder jaar.
Rond een uur of 9 ging de markt
open, zoals altijd. De mensen
stroomden toe, en het werd
algauw een gezellige drukte.
Er waren worstelaars bezig, die
hun geld met weddenschappen
wonnen, er waren honden en
hanengevechten, kleine kinderen
die snoepten van de gratis
zoetigheid die werd uitgedeeld.
Ik, als Illusionist, sta ieder
jaar op de markt om de mensen te
verkamen met enkele simpele
goocheltrucjes. Zo ook dit jaar.
De kinderen genoten, en de
volwassenen waren verwonderd.
Uiteraard waren het maar simpele
truckjes, niet zoals tijdens de
trainingen worden gebruiken van
andere Studenten. Zolang de
mensen maar konden genieten, en
ik daarmee wat geld verdiende,
waardoor ik aan het einde van de
dag mijn inkopen kon doen.
Alles leek dood normaal, zoals
ieder jaar.
Ik had zojuist een truck
afgerond waarin ik was eieren
had laten verdwijnen, en de
kinderen erop uit had gestuurd
om ze te zoeken. De eieren die
ze vonden mochten ze houden.
Voordat ze in alle haast
wegrenden, gooiden ze wat
muntjes neer, dat door hun
ouders in hun handjes was
gedrukt.
Ik was bezig met het verzamelen
van deze muntjes, toen ik een
raar gevoel kreeg in mijn maag.
Het was niet het gevoel van
honger of dorst, want ik had
goed ontbeten die dag, en het
liep maar net tegen het
middaguur aan. Het was mijn
instinct dat mij waarschuwde
voor gevaar, maar ik reageerde
er veel en veel te laat op.
Ik richtte me op, nadat ik alle
muntjes had opgeraapt, en zat
aan de oostzijde van de markt
een donkere rad, dat zich
langzaam maar zeker in onze
richting voortbewoog. Een
dierentrek had het niet kunnen
wezen, want zo ver in het
jaargetijde was het nog niet.
Terwijl ik rondkeek, zag ik dat
ook aan de andere kanten een
dergelijke donkere rij richting
de markt bewoog. De markt was
compleet ingesloten.
Terwijl de rijen naderbij
marcheerden, kregen andere
mensen de donkere stroken ook in
het zicht. Met de blik van een
Illusionist kon ik de rij echter
al nauwkeurig bestuderen, en wat
ik zag, schokte me.
Het waren mensen, gekleed in
donkere tunieken. Ze droegen
helmen van een metaal dat niet
glansde. Hun laarzen waren van
het zelfde vreemde materiaal als
dat van hun lange polsbanden en
handschoenen, en in hun handen
droegen ze vreemde wapens;
wapens die ik nooit eerder had
gezien. Ik probeer ze te
omschrijven..
Het waren geen zwaarden, al
leken enkelen er wel op. Het
waren geen speren, geen pijl en
boog, ook al leek het er wel op!
Velen van hen hadden grote
wapens, die sterk leken op een
kruisboog, maar dan zonder de
boog, en zonder de pijlen. De
zwaarden hadden geen lemmet,
maar gloeiden vreemd wit op. De
speren waren grote pieken met
weerhaken, in het zelfde donkere
metaal als hun helmen, en de
bliksem leek er uit te slaan.
In een stevig tempo naderden ze
de markt, en de paniek begon zo
langzamerhand toe te slaan.
Vrouwen, kinderen en ouderen
werden in het midden van de
markt verzameld, terwijl jonge
en sterke mannen zich een kring
om hen heen vormden. Bewapend
met alles wat er te vinden was
–zoals bijlen en zwaarden van de
smid, en hamers die ook zijn
gebruikt voor het opzetten van
de kramen, probeerden de mannen
zich voor te bereiden om hun
hebben en houwen te beschermen.
De worstelaars verspreidden
zich, de eigenaren van de valse
honden hielden de dieren hij de
halsbanden, een eindje van de
kring vandaan, en zelfs de
hanen, met de mesjes nog tussen
de poten gebonden, werden vast
gehouden, klaar om gegooid te
worden wanneer het zo ver was.
Ik schaardde me bij hen. Mijn
krachten waren gericht op het
trainen van Studenten, maar ook
in een gevecht zouden ze hun
diensten kunnen bewijzen.
De markt was nu compleet
verlaten. De kraampjes lagen nog
vol koopwaar, maar er was
niemand meer die er oog voor
had. Aangeschafte spullen lagen
her en der verspreid over het
terrein, in alle paniek vergeten
en verloren.
In het centrum van de markt
stonden de kinderen te krijsen,
zij hadden geen besef van het
gevaar. Vrouwen klampen zich
krapachtig vast, en probeerden
hun kroost te troosten. Oudere
vrouwen begonnen beschermende
spreuken te prevelen, en oudere
mannen jutte de jongeren op.
Het leger van vreemdelingen was
nu voor iedereen goed zichtbaar.
Een huivering trok door het
centrum, door een ieder die er
stond. Iemand wist wat deze
wapens waren, wat ze deden, wat
ze konden aanrichten..
“Het zijn Technologen!” riep een
van de oudere mannen uit. “Wij
zijn verdoemd, verdoemd!” De
meeste keerden zich naar deze
oude man, en vroegen om uitleg.
“De Technologen zijn
uitgestotenen, Bannelingen! Zij
zijn Dood geboren! Toen ik nog
een jonge taaie knul was, hebben
ze al eens eerder aangevallen!
Hun wapens zijn niet zoals het
onze, ze zijn veel gevaarlijker.
Als zij schieten, ontstaat er
direct vuur. Als zij toesteken,
branden ze je armen er zo af! We
hebben geen schijn van kans.”
Niemand wist echt hoe hij op dit
nieuws moest reageren. Iedereen
hield de moed hoog, want er werd
vanuit gegaan dat deze mensen
wel te verslaan waren. Maar dit
werd nu wel in twijfel
getrokken, zeker naarmate de
Technologen dichterbij kwamen,
en hun wapens zich beter lieten
aftekenen van de zwarte kledij
die ze droegen.
De Technologen stonden nu op een
meter of 25 van ons af. Volgens
de oude man voldoende voor hen
om ons af te slachten, voor ons
te weinig om wat te kunnen
bereiken, zelfs met de hanen.
En toen begon het..”
Ik neen een adempauze. Ik adem
zwaar, en een traan rolt
stilletjes over mijn wang.
Terwijl ik aan het vertellen
ben, herleef ik de veldslag in
mijn gedachten.
“Het was tegen klokslag 2 uur.
De monniken van het nabij
gelegen klooster hadden zojuist
de klokken geluid.
Niemand had zich bewogen. We
stonden te wachten tot de ander
wat zou doen. Plots kwamen de
Technologen in beweging. Ze
stelden zich op. De mannen met
de vreemde kruisbogen stonden
vooraan, daarachter kwamen de
vreemde zwaarden, en weer
daarachter de speren met eeuwige
bliksem. Deze opstelling werd
herhaald.
Wij waren ver in de minderheid.
Enkele honderden mannen en
vrouwen, slecht bewapent,
tegenover enkele duizenden
Technologen. We hadden gewoon
geen kans…
Zodra alle Technologen waren
opgesteld, begon de slachting.
Ze vuurden allen tegelijkertijd
hun vreemde kruisbogen af. Geen
pijl kwam er uit voort, maar een
vreemde witte straal, haast
gelijk aan de oplichtende
zwaarden.
Wij konden geen kant op, dan
naar beneden. Iedereen liet zich
als een man vallen. De kramen om
ons heen vlogen in brand, nadat
dezen waren geraakt met de witte
stralen. Terwijl enkelen weer
omhoog krabbelden, werd er een
tweede maal gevuurd. Dit keer
kwamen ze ook in beweging, en
sloten ons nog meer in.
Deze tweede maal raakten ze
enkele mannen. Ze schreeuwden
het uit van pijn. De plaatsen
waar ze waren geraakt schroeiden
na. Het begon te stinken naar
brandend mensenvlees. De
gewonden vielen terug op de
grond.
De Technologen bleven met hun
vreemde wapens schieten, terwijl
ze steeds dichterbij kwamen. Ze
stonden nu nog maar op enkele
meters van ons af.
De mannen met hun woeste honden
lieten de dieren los, en de
grote hanen werden in het wilde
weg gegooid. De honden renden
als een eensgezinde roedel op de
Technologen af, ben beten zich
vast in hun laarzen en in hun
benen. De Technologen schudde de
dieren echter gauw van zich af,
en schoten ze neer. Bloed spatte
in het rond toen de witte
stralen de honden doorboorden.
Er bleef maar weinig van de
dieren over.
De hanen klampten zich met hun
scherpe nagels en mesjes vast in
de donkere tunieken van de
vijand. Met hun geslepen snavels
pikten ze naar de handen en de
gezichten, die verscholen gingen
achter stevig materiaal, waar de
snavels niet doorheen kwamen.
Ruw grepen de Technologen de
hanen, en trokken de dieren van
zich af. De mannen met de
oplichtende zwaarden, hieuwen de
koppen van de vogels af, waarbij
de wonden direct verschroeiden.
De onthoofde lijken lagen nog
krampachtig na te spartelen.
Nu we hadden gezien wat deze
wapens konden aanrichten,
verloor iedereen de hoop. Enkele
mannen lieten zich al op handen
en knieën vallen, om zich over
te geven. Zij werden meteen
vernietigd.
Langzamerhand stonden de meeste
mensen weer op. Klaar om hun
ondergang te gemoed te gaan.
Vrouwen en kinderen werden
dichter in de cirkel gedrukt, in
de hoop dat zij gespaard bleven.
De mannen hieven hun
geďmproviseerde wapens, en
wachtten op de aanval.
Het enige wat ik kon doen, was
me tussen de vrouwen en kinderen
scharen, en een illusie over ze
uitspreken, in de hoop dat velen
van hen niet gevonden zouden
worden. Het vergde alles van
mijn concentratie.
Als in een waas zag ik de strijd
aan me voorbij gaan.
De Technologen met de vreemde
kruisbogen verdwenen naar
achter, ze voegden zich bij de
tweede linie met de zelfde
wapens. Nu stormden de tweede en
derde linie Technologen naar
voren, en hakten in op ons.
Vele mannen stortten huilend
neer, zonder armen, half
onthoofd. De Technologen met de
speren staken deze in de ruggen
van weerlozen, en verlamden ze,
alvorens ze het wapen dieper het
lichaam van hun slachtoffer
duwden.
Het gras, dat die ochtend nog
vochtig was met dauwdruppels,
werd nu doordrenkt met bloed.
De vrouwen en kinderen moesten
toe kijken hoe hun man en vader,
broer en oom werd afgeslacht.
Recht voor hun ogen werden de
wervelkolommen uit de lichamen
van de gevallen mannen gerukt,
hun ogen werden uitgestoken en
hun halzen werden doorboord, om
ze te laten leegbloeden als
varkens tijdens het Oogstfeest.
Ondanks mijn illusie, raakten
ook wij doordrenkt met bloed, en
kon de illusie niet langer in
stand worden gehouden.
Mijn krachten raakten uitgeput,
mijn concentratie was bijna weg.
Ik hief de illusie op, en viel
neer op mijn knieën.
Ik heb gedaan wat in mijn
mogelijkheden lag om deze mensen
te beschermen, maar het mocht
niet baten. Ik was maar alleen,
te zwak om iedereen te kunnen
beschermen.
De Technologen kregen nu de
vrouwen en hun kroost in de
gaten. Met een schreeuw renden
ze naar voren, en grepen de
kinderen, tot en met de
zuigelingen toe, uit de
beschermende handen van hun
moeders.
Ze lieten de kinderen onderste
boven hangen, terwijl ze hen
prikten met hun speren. De
kinderen kresen en begonnen te
stuiptrekken. De moeders lieten
zich huilend neervallen, terwijl
zij gemarteld werden door de
mannen met hun zwaarden.
Van zwangere vrouwen werd de
buik opengereten, en de boreling
werd gespietst door hun
vreselijke wapens. Zodra ze niet
meer dan een bloederig hoopje
mens waren, werden ze naast hun
moeder neergesmeten, die aan
haar lot werd over gelaten. Deze
vrouwen volgden hun jonge
kinderen al gauw wegens het
bloedverlies.
Jonge kinderen werden op de
grond gesmeten, en hun schedels
werden ingetrapt. Vrouwen werden
bruut vermoord, en de weinige
mannen die nog leefden werden
gedwongen toe te kijken, voordat
ook zij werden onthoofd, of
doorboord.
Mijn handen trilden, de woede
laaide in mij op, maar ik kon
absoluut niets doen. Toen stapte
een van hen naar mij toe, en
knielde voor me neer.
Alleen zijn donkere ogen waren
zichtbaar, de rest van zijn
gezicht ging verscholen achter
een dunne, doch sterke zwarte
stof.
Zijn ogen vertoonden geen
medelijden met dat geen wat
zojuist was gebeurt.
Integendeel. Er lag meer een
blik in van waanzin, trots…
genot. Het was een
georganiseerde slachting.
De ogen veranderden. Het gelaat
van de man was vertrokken in een
grijns. Hij hief zijn speer, en
boorde deze in mijn rug.
Een vreselijke pijn kan ik mij
herinneren. Een brandend gevoel
dat van top tot teen door mij
heen trok. En toen het
ongecontroleerde stuiptrekken
wat erop volgde. Mijn spieren
brandden, en werden uitgeput. En
die blik van die man, vol
plezier, bleef me aanstaren, tot
ik het bewustzijn verloor.”
Ik zwijg. Mijn kant van het
verhaal zit er op. Meer kan ik
me niet herinneren. De slachting
heeft drie dagen geleden plaats
gevonden.
Zodra de monniken doorkregen dat
de slachting aan de gang was,
hadden deze meteen de stad
gewaarschuwd. Deze hadden een
leger op de been gezet, en waren
er direct op uit getrokken.
Het leger Technologen was zich
al aan het terug trekken op het
moment dat het leger te paard
aan kwam galopperen. Ook van
leger zijn er velen gesneuveld,
maar uiteindelijk zijn er enkele
Technologen gevangen genomen. De
rest is op de vlucht geslagen.
Voor velen van ons kwam de hulp
veel te laat. Enkelen vertoonden
nog enig teken van leven, maar
velen hadden al op gruwelijke
wijze het leven gelaten.
Ik heb geluk gehad, mij troffen
ze bewusteloos aan, met een
gapende wond in mijn rug, voor
dood achter gelaten. In het
klooster hebben ze me
opgevangen. Gistermiddag ben ik
weer bijgekomen, en hebben ze me
verteld wat er was gebeurt nadat
ze mij hadden gevonden.
Nu zit ik hier, mijn verklaring
af te leggen van wat er die dag
was gebeurd. Ik vertoon nog
regelmatig stuiptrekkingen, en
de wond geneest te langzaam naar
de zin van de monniken.
Ze vinden het dan ook geen goed
idee dat ik op het ogenblik hier
zit, maar dit is iets wat ik
moest vertellen. Als
getuigenverklaring tegenover de
Technologen, die nu diep onder
het gerechtsgebouw in de kerkers
zijn opgesloten.
De bevolking die is komen
luisteren naar mijn verhaal,
begint weer enigszins met
ademhalen.
Doordat ik mijn verhaal zo
levendig voor mij zag, heb ik
het onbewust in de rechtzaal
geprojecteerd. Nu is iedereen
getuige van wat er is gebeurt.
Familieleden van de overledenen
stoten een rouwkreet uit, en
velen vielen hen bij.
De notulist, die mijn verhaal
zou moeten noteren, staart me
ongelovig aan; de inkt had
ondertussen een gat in het
papier gemaakt.
Zonder dat er wat gezegd wordt,
wordt de hoorzitting opgeheven.
De monniken die mij verzorgen
hebben het druk vandaag. De vier
die mij naar het gerechtsgebouw
hebben gebracht, zijn nu met mij
op de terug weg naar het
klooster. Ik ben uitgeput en
emotioneel.
Tussen het klooster en de stad,
niet ver van de markt af, zijn
de monniken bezig met het delven
van de graven.
We stoppen even, om respect te
tonen, op het moment dat het
bleke lijk van een kindje in het
graf wordt gelegd. Ik, met mijn
scherpe blik, zie dat het een
muntje in zijn handje heeft
vastgeklemd. Ik sluit mijn ogen,
en zie het kind weer even
stralend voor me staan, terwijl
ik een goocheltruckje met hem
uithaal… |
|
|