| |
“Het is mijn geest dat spreekt.
Het verbaast je misschien, maar
het is zo. Je bent (nog) niet
bezeten. Ik wil dat jij mijn
verhaal schrijft, zodat anderen
het lezen, en de Kracht van Hem
niet onderschatten, zoals ikzelf
ooit heb gedaan.
Mijn naam is Ridder Menw. En ik
was zo stom het op te nemen
tegen Hem. Arac heet hij. Het
monster…
Laat ik bij het begin beginnen.
Het moment waarop ik mijn
opdracht kreeg. Of te minste...
aannam, helaas. Ik betreur het
nog steeds.
Het was een mooie lentedag, en
ik reed met een paar andere
ridders rond, opzoek naar wild.
Het liep tegen het eind van de
dag ton ik hem zag. Een
gigantische schaduw vloog over.
Dit kon geen vogel zijn. De
paarden werden wild, en de
honden jankten van angst. Ik
kreeg mijn paard weer onder
controle, maar de schaduw was
weg. Ik keek om en zag nog ent
de staart van het beest. Een
zwarte punt vol superscherpe
weerhaken. ‘vast en zeker
giftig,’ dacht ik. Nou, dat heb
ik geweten. Ik hoorde nog een
hoog gegil en toen was het
verdwenen. “Onze Vrouwe!” riep
een van de ridders. Hij moest de
gil hebben herkend. “Wat moeten
we doen?” vroeg een ander. Ik
voelde dat ze allemaal naar me
keken. “We kunnen niet met dit
weinige aantal ridders op zoek
naar het beest gaan. We moeten
terug, en een leger halen!” en
ij deze woorden keerden we om,
en reden terug naar het kasteel.
We hadden hard doorreden, en nog
voor het donker waren we bij het
kasteel. De wacht liet ons
binnen. De schildknapen kwamen
aanrennen, en wij wierpen hen de
teugels toe. Ik sprong van mijn
paard en rende het kasteel
binnen. Aan de geur van gebraden
vlees te ruiken zaten de mensen
in de grote zaal te eten. Ik
hoopte dat mijn Heer de Koning
ook aanwezig was. Hij at maar
een paar dagen in de week met de
ridders mee, en dat waren nooit
vaste dagen. We stormden de zaal
binnen, en godzijdank, mijn
vader, Heer de Koning zat aan
het hoofd van de tafel. Ik liep
naar hem toe en knielde neer.
Toen mijn Heer mij permissie had
gegeven om op te staan, begon ik
mijn verhaal.
“Mijn Heer, mijn verloofde,
Vrouwe Lyrrha is meegenomen. Eén
van mijn mannen hoorde haar
gillen.” Beëindigde ik mijn
verhaal. “Deze schaduw, waar Gij
het over heeft, moet de draak
Arac zijn geweest. Deze draak
leeft niet op mijn land. Ge moet
naar Koning Hew, en hem
permissie vragen. Van mij heeft
Ge permissie te gaan.” Mijn
vader, Heer de Koning ging weer
zitten en bood me wat te eten
aan. Ik was gespannen, maar ik
dwong mezelf om te eten. Niet
lang daarna ging ik, met
permissie van mijn Heer de
Koning, naar mijn kamer. Daar
ging ik zitten en wilde ene plan
bedenken om de Vrouwe te
bevrijden. Het lukte niet, ik
was te gespannen. Gefrustreerd
ging ik voor het raam staan en
schoot de geitenleren lappen
opzij. Het was al donker, en er
straalden sterren. Ik keek op
naar Orion, de grote krijger. Ik
schoof de lappen weer terug. Met
en zucht ging ik op mijn bed
zitten. Geen enkele gedachte zat
in mijn hoofd het voelde zo
leeg.
Ik kan me niet herinneren dat ik
in slaap ben gevallen. Ik werd
weer wakker toen het vuur in de
haard was uitgegaan en de kou
tot op mijn botten doordrong. Ik
stond op en liep naar het raam.
Een waterig zonnetje scheen naar
binnen. Ik nam een besluit.
Vandaag zou ik en een klein
leger naar Koning Hew rijden.
Halverwege de ochtend had ik
zo’n honderd man bij elkaar
gekregen en we reden uit. De
banieren wapperden in de wind
die vanuit de kust waaide. We
reden snel door. We wilden niet
te lang open en bloot in het
zicht van Arac rijden. Koning
Hew had zijn jachtkasteel wat
minder dan een week van het
kasteel van mijn Heer staan.
Omdat het al tegen de zomer
liep, vermoedde ik dat hij wel
in zijn jachtkasteel verbleef.
Mijn vermoedens bleken te
kloppen. Ik kende Koning Hew uit
mijn kinderjaren, en had hem
altijd gezien als een grote man,
met donker haar en glanzende
ogen van levensvreugde. Maar
toen ik hem in zijn grote zaal
zag zitten, moest ik eerst een
aantal keer goed kijken of dat
Koning Hew wel was. De grote man
leek verschrompeld. En gebukt te
gaan onder een zware last. Zijn
haar was grijs en dof, en de
levenslust scheen uit zijn ogen
te zijn verdwenen. Toen hij ons
binnen zag komen keek hij op met
grote, verbaasde ogen. “De
profetie….” fluisterde hij, en
stond op. “Gouden banieren, met
ene zwarte hengst.. Een man met
gouden haren komt ons van hem
verlossen, ” sprak hij. Ik wist
zeker dat hij het over mij had;
mijn haren zijn zowaar van goud,
zo’n kleur heeft het. En de
banieren van de Zwarte hengst,
mijn clan, zijn ook goudkleurig.
En ik kon al raden waarvan ik
Koning Hew moest verlossen..
Arac. “Jij, Menw, moet mijn rijk
van de draak redden. Hij dood
veel vee, en zo kunnen mijn
mensen niet leven” Koning Hew
keek mij smekend aan. ”Je krijgt
er goed voor betaald..” voegde
hij eraan toe. “Mijn heer, mag
ik er over nadenken?” vroeg ik
voorzichtig. Ik zag Koning Hew
langzaam maar zeker kwaad
worden, maar dat trok vrij snel
weer weg. “Waarom ben je dan
hier?” vroeg Koning Hew. “De
draak Arac heeft mijn verloofde,
Vrouwe Lyrrha meegenomen. Ik
vreesde voor haar dood, maar U
zei net dat Arac alleen vee
dood.” zei ik. “Voor je het weet
mijn vriend, redder…Is je vrouwe
verscheurt. Wat als het vee op
is? Wat dan?” Koning Hew keek me
doordringend aan. Daar dacht ik
over na. Het was een
mogelijkheid dat de draak nu
bezig was mijn vrouwe te
verslinden.
Als of het een toneelspel was,
en dat was het ook, realiseerde
ik me later…, kwam er een man de
zaal binnen. Koning Hew draaide
zich om toen hij de man hoorde.
“Madoc, mijn vriend en
raadsheer, wat is er aan de
hand?” vroeg hij. “Mijn heer,”
en Madoc maakte een buiging. “Ik
had net een visioen, waarin ik
de draak zag met een jonkvrouw.
Hij was bezig haar te
verscheuren..” Madoc’s ogen
schoten snel in mijn richting en
weer terug. Het leek of de draak
mij verscheurde. “Neemt Gij,
Menw, de opdracht aan?” vroeg
Koning Hew nogmaals. Ik kon niet
denken, al mijn gedachten waren
vertroebeld. “Ja” hoorde ik
mezelf zeggen. “Goed mijn
vriend, vertrek dan nu. Je
beloning krijg je als je me de
kop van de draak brengt.” Ik
slikte, en tegen mijn wil
draaide ik om en liep weg.
Eenmaal buiten steeg ik op mijn
paard en riep een bevel. Alsof
er een betovering op me lag,
reed ik voort en voort. Ik
herinner me niets meer, behalve
dat ik het landschap van bossen
naar kale bergen en hoge rosten
zag veranderen.
Een paar dagen later stonden we
bij een grot. De opening was
omringd door glanzende
roodgroene schubben, zie zo
groot waren als mijn hand. De
draak moest zich zo te zien de
grot inwurmen. “Draak!” hoorde
ik mezelf roepen. “Ik heb een
naam….” Galmde het. Arac was
vast thuis. “Arac, kom dan naar
buiten en geef me mijn vrouwe
terug, en het vee van Heer Hew.”
Er klonk gerommel binnen, en
even later zagen we een enorme
klauw verschijnen. Niet veel
later ook de rest van het beest.
“Ik heb je Vrouwe niet,” zei
hij, terwijl hij zich de grot
uitwurmde. Ik keek het beest
recht in zijn koperkleurige
ogen, en hij keek terug. We
bleven even zo staan. Ik wende
als eerste mijn ogen af, om de
rest van het beest te zien.
Lang, pezig, sterke poten met
grote klauwen. Aan het uiteinde
van de staartzaten weerhaken.
Maar Arac gedroeg zich
vriendelijk. “Mijn Vrouwe,
Lyrrha..mijn verloofde..” drong
ik aan. De draak trok een
grimas, en schudde zijn enorme
kop. “Nee, het spijt me, ik heb
hier geen Vrouwe Lyrrha, nooit
gehad ook.” Ik draaide me in het
zadel om, en keek één van de
soldaten aan. “Zeg me eens,
vriend, hoelang zijn we
onderweg?” vroeg ik. De soldaat
leek even na te denken. “Zo’n
twee en een halve week mijn
Heer.” Antwoordde hij
uiteindelijk. Ik wendde me tot
de draak, als gehypnotiseerd.
Dit was ik niet….Maar ik kon me
niet bevrijden. “En jij draak,
beweert dat jij zo’n drie weken
geleden niet met een vrouw op je
rug over mijn land vloog?” riep
ik uit. “Mijn heer..” suste de
draak. Hij ging zitten, en boog
dusdanig voorover dat we zijn
rug konden zien. Die zat onder
de stekels. Geen plaats voor
iemand om te zitten, geen
enkele…Ik staarde naar Arac.
“Zie, mijn heer, geen plaats…Ik
heb niemand. Ik zou niemand
kwaad doen, tenzij die mij eerst
aanvalt.” Zei hij. Maar mijn
geest werkte niet meer zoals ik
dat zou willen. “Aanvallen!”
riep ik, en ik dreef mijn paard
naar voren. Arac dook terug in
de grot, voor zover dat ging.
Hij kwam vast te zitten. Mijn
mannen bestookten hem met pijlen
en speren. Toen werd de draak
kwaad. Ineens spoog hij vuur, en
de paarden wierpen ons af van
angst. Nu grepen we de zwaarden
en begonnen op Arac in te
hakken. De vuistgrote schubben
waren zo hard als steen. Geen
zwaard drong daardoor. Tot
iemand onder Arac’s buik
verdween. Ik hoorde hem roepen,
triomfantelijk. Niet veel later
hoorde ik een oorverdovend
gebrul, afkomstig van de draak.
Wit bloed kwam vanonder zijn
buik vandaan. Nu was hij echt
kwaad. Hij beet om zich heen, en
met zijn klauwen maaide hij
tientallen mensen in één keer
om. Toen richtte hij zijn woede
op mij. Hij sperde zijn kaken
open, zodat ik de zwaardlange
vlijmscherpe tanden kon zien. En
dat was ook het laatste wat ik
zag. Het beest beet mijn hoofd
eraf.
Vanaf dat moment werd de aarde
zilverkleurig en mooi. De mannen
zagen mij vallen, en trokken
zich terug. Mijn ziel volgde
hen. Ze werden in een hinderlaag
gedood. Ik zweefde verder, naar
het kasteel van mijn vader. Wat
ik daar zag, was zelfs voor een
geest schokkend. Het hele
kasteel, met bloed besmeurt. Op
de torens wapperden de banieren
met de wolf, het teken van
Koning Hew. Op een paal op het
plein stond mijn vaders hoofd.
Het hoofd was opgezwollen, en de
oogkassen waren leeg, op de
rauwe wonden na. De kraaien
hadden een feestmaal. Niet ver
van het hoofd van mijn vader,
zag ik dat Hew’s hoofd op een
paal werd neergezet. Door
niemand minder dan Madoc. De
verrader. En naast hem, met een
sluwe glimlach, stond Lyrrha.
Niet meer als verweesde
edelvrouwe dat ze was, maar als
de valse dochter van Madoc.
Madoc was koning over twee
rijken, dat van Hew, en dat van
mij. Als geest kon ik niets
doen. Maar ik merkte dat ik
vervaagde, en niet veel later
was ik weg. Ik weet niet meer
naar waar, en als ik het wist,
zou ik het niet vertellen. Maar
vele eeuwen later werd ik terug
gestuurd. Men moest mijn verhaal
lezen. De wereld is sterk
veranderd, en het jaagt mij
angst aan. Ik wil zo snel
mogelijk terug. Maar dan moet
jij mijn verhaal wel schrijven.
Anders heb ik nooit rust. Doe je
het?”
“Jah!”zegt de jonge schrijver.
Hij weet nooit wat te verzinnen,
maar dit werd ene prachtverhaal.
Hij kijkt op naar de geest.
“Goed….Maar als je het niet
doet, kom ik je achterna”
“Ik doe het!” Roept de man uit.
“Heej, je vervaagt…” zegt hij
erna.
En het is waar. Ik heb rust
gevonden.
Een
klein dreigementje heeft de man
helemaal overtuigd. Ik glimlach,
en zie nog net hoe haastig de
man pen en papier zoekt… |
|
|